Examenonderdelen

Het examen bestaat uit 2 onderdelen:

  • Kennis en inzicht in de wetenschappen (KIW)
  • Generieke competenties (GC)

Kennis en inzicht in de wetenschappen (KIW)

Dit examenonderdeel peilt naar je kennis en inzicht in de wetenschappen, toegespitst op de vakken biologie, fysica, chemie en wiskunde. Je krijgt tien vragen per vak en dus in totaal 40 vragen voor KIW. Het examen test voornamelijk je inzicht.

Deze competenties komen aan bod:

  • Afleidingen maken op basis van een aantal gegevens.
  • Problemen en grafieken analyseren.
  • Snel een nieuw begrip opnemen in je verworven kennis.
  • Gedreven zijn om een probleem op te lossen.

Grootheden, symbolen en eenheden worden gebruikt volgens de geldende SI-normen. Op het examen krijg je een formularium met nuttige constanten, logaritmen, kwadraten, goniometrische getallen en formules.

TIP

De leerstof is afgestemd op de tweede en de derde graad van het algemeen secundair onderwijs. Ga na of er eventueel tekorten zijn in je curriculum zodat je ze kan bijwerken.

 

Generieke competenties (GC)

Dit examenonderdeel peilt naar algemene competenties die voor een toekomstige arts of tandarts belangrijk zijn. Het bestaat uit 2 toetsen:

CLEAR

CLEAR staat voor Conflicthantering, Luistervaardigheid, Empathie, Aandacht, Reflectie en Respect. Het toetst je communicatieve competenties.

Je krijgt 15 vragen. Sommige vragen vertrekken van een situatie waarmee een adolescent in aanraking kan komen, bijvoorbeeld in familie- of vriendenkring, in schoolverband, tijdens een stage of studentenjob of in een jeugdbeweging of sportclub. Voor elke casus duid je de reactie of houding aan die het meest gepast is om een bepaalde uitkomst te bereiken. In andere vragen geef je aan welke uitspraak of boodschap het best beantwoordt aan de relationele stijl of gespreksstijl die in de opgave vermeld staat.

Deze aspecten komen aan bod:

  • Persoonlijke aandacht geven aan de ander en respectvol met elkaar omgaan.
  • Je inleven in de situatie en in de belevingswereld van de ander.
  • Constructief communiceren binnen een (familiaal) relatienetwerk, met aandacht voor loyaliteit en waardigheid van alle betrokkenen.
  • Een constructieve houding aannemen in conflictsituaties en situaties met hevige emoties of uitzichtloosheid.
  • De gevolgen van je eigen gedrag inschatten in een relationele situatie met kwetsbare personen.
  • Een onderscheid maken tussen objectieve feiten, interpretaties ervan en subjectieve beleving.

VAARDIG

VAARDIG staat voor Verbinden, AnAlyseren, ReDeneren, InteGreren. Je krijgt vragen over een korte wetenschappelijke tekst met bijhorende figuren over een gezondheidsthema. Voor sommige vragen kan je het antwoord direct uit de analyse van de tekst of figuren afleiden. Voor andere vragen moet je diepgaander redeneren, nieuwe verbanden leggen of verschillende delen integreren.

VAARDIG bestaat uit 25 vragen. Je beantwoordt vragen over de teksten en de bijhorende figuren. Je mag de teksten zo vaak als nodig herlezen. Je mag notities nemen op kladpapier om de inhoud van de teksten te verwerken. VAARDIG is niet meer opgesplitst in 2 delen zoals de vorige jaren.